Platform GRAS nodigde filosoof en publicist Bram Esser uit op het symposium ‘Van Tiny House naar Lutje Hoeske’ en vroeg hem zijn indrukken op papier te zetten. Dit is hoe hij de dag beleefde.

Pionieren in de stad | Bram Esser

Een groeiende groep mensen begint zich voor het fenomeen Tiny Housing te interesseren. De aantrekkelijkheid van deze beweging zit hem deels in een lifestyle-aspect. Zoek je op Google naar ‘Tiny House’, dan krijgt je idyllische taferelen te zien van kleine schattige huisjes in ongelofelijke landschappen. Vooral dat laatste is natuurlijk aantrekkelijk. Je woont klein, maar je hebt een enorme ruimte om je heen. In een drukke, moderne wereld waarin we overprikkeld zijn door ons werk en ons sociale leven, zoeken we naar het simpele leven met echte verhalen en diep gevoelde ervaringen. We willen opnieuw vertrouwd raken met de natuur en ruimtelijkheid.

Tiny Housing lijkt dit te beloven. Het gaat over je leven in eigen hand nemen, over uitzoeken wat echt belangrijk is – en de rest weggooien. De beweging sluit ook aan bij trends op het gebied van voeding en meditatie. Denk aan mindfulness, dat propageert in het ‘nu’ te leven, of aan de Slow Food-beweging die op zoek gaat naar lokale voeding. Daarnaast is een Tiny House duurzaam, omdat de ‘carbon footprint’ kleiner is. Hoe kleiner het huis, hoe kleiner ook de impact op het milieu, lijkt de gedachte.

Het werd volgens de gemeente Groningen tijd om een symposium te organiseren rond de vraag hoe we het Tiny House tot een Groninger variant kunnen transformeren: van Tiny House naar Lutje Hoeske. Hoe vertaal je de behoefte naar vrijheid, duurzaamheid en pioniersdrang naar een werkbaar concept in de stad? Vooral GroenLinks en de Partij voor de Dieren drongen in de gemeenteraad aan op dit symposium. Op een uitzonderlijk warme zaterdagmiddag in september werd in de Energy Barn op het Zerniketerrein een aantal korte lezingen gegeven, voor een grote groep geïnteresseerden.

De groep sprekers was een gemêleerd gezelschap. Er waren dromers bij die vertelden dat ze graag een stuk grond van de gemeente wilden hebben om lekker te pionieren. Er waren sprekers die het hadden over wonen in grootse, weidse landschappen. Weer iemand anders ­– een ondernemer – wilde zijn gelikte concept verkopen. Want ja: aan deze hype valt geld te verdienen. Corporaties vroegen zich hardop af wat ze nou precies met Tiny Housing zouden kunnen doen, in relatie tot sociale woningbouw. Een terechte vraag. Als we het over huisvesting hebben, moeten we eigenlijk altijd beginnen met de vraag ‘Hoe maak je dit concept voor een zo groot mogelijke groep aantrekkelijk?’

Afgaand op de nadruk die veel Tiny House-liefhebbers leggen op het getrut van dakrandjes, verandaatjes en schattige tierelantijnen, zijn zij uit op een aantrekkelijk soort kabouterwoninkjes zoals je die soms in tuinbouwcomplexen aantreft. Vermoedelijk zullen veel mensen er na enkele maanden achter komen dat het toch wel heel klein is. Toen ik dit aan Barbara Stok voorlegde – de striptekenaar was de beroemdste Stadjer die ik tegenkwam op het symposium – vertelde ze dat ze een Lutje Hoeske vooral zag als een atelier buitenshuis. Langzamerhand drong het tot me door dat veel GroenLinks-stemmers in de zaal hun Tiny House niet zagen als hun primaire woning, maar als tweede huis.

Uiteindelijk moeten we na dit symposium toch toegeven dat de nadruk op Tiny Housing de aandacht weghaalt bij het feit dat er veel te weinig woningen worden gebouwd voor de jongeren en ouderen met een kleine beurs, voor studenten, starters en statushouders. De komende twintig jaar zullen er ieder jaar duizend woningen bij moeten om aan de vraag te kunnen voldoen. De meeste woningen die worden gerealiseerd zijn eengezinswoningen – een grote groep valt dus buiten de boot. Er is geen behoefte aan Tiny Houses, maar aan woningen met een oppervlakte tussen de 25 en 50 vierkante meter. Dáár ligt de echte uitdaging voor corporaties en gemeentes.

De enige die hierop in ging tijdens het symposium was Tjalling Zondag. Zijn voordracht heette ‘Make Tiny Houses great again.’ Een citaat van een foute man voor een waarachtige zoektocht naar de essentie van het wonen. Zijn aanvliegroute was interessant: hij beweerde dat als je naar de essentie van het wonen zoekt – wat de Tiny House-beweging zegt te willen doen – je eigenlijk bij de bouwwereld moet beginnen. Net als Heidegger ziet Zondag een etymologisch verband tussen wonen en bouwen. De bestaande bouwcultuur zit volgens hem in een enorme kramp. Er wordt vrij dogmatisch vastgehouden aan traditionele waarden en bouwmaterialen. Alleen beton en baksteen komen in aanmerking.

Dit heeft natuurlijk een logische oorsprong: het zijn lokale materialen. Baksteen en beton kun je maken met wat er om je heen te vinden is. Er is echter geen enkele reden om het concept lokaal op deze traditionele wijze te blijven interpreteren. In Nederland circuleert inmiddels zoveel ander spul, dat je bijvoorbeeld ook staal als lokaal product kunt gaan beschouwen. Staal is eindeloos recyclebaar en daardoor eigenlijk veel duurzamer dan beton, dat je alleen maar kunt vermalen om in de wegenbouw toe te passen.

Zofa, het bureau van Tjalling Zondag en Hans Overdiep, wil kijken naar slimme productiemethodes binnen het bestaande aanbod. Zo zijn ze in zee gegaan met een scheepswerf, de plek bij uitstek om uit staal een ‘leefschil’ te ontwikkelen. Zondag: ‘Wat wij willen doen, is het oude patroon doorbreken en een huis bouwen voor de fractie van de prijs die gangbaar is. Daar is de bouwwereld niet per se blij mee. Die zijn toch vooral uit op geld verdienen.’

Het openbreken van de bouwwereld en het zoeken naar alternatieve manieren van bouwen kwam aanvankelijk voort uit de problematiek van het aardbevingsgebied, vertelt Zondag. ‘Mensen wonen op prachtige locaties, met een waardeloos huis waar ze niets meer mee kunnen. Dat huis moet van die kavel af en dat kan alleen als er een heel goedkoop alternatief voor komt. Dat goedkope alternatief willen wij bieden. We willen een goed geconditioneerde ruimte neerzetten. Een schil waarbinnen je volledig je gang kunt gaan, wat betreft de inrichting.’

In zijn presentatie liet Zondag zien dat hij terug is gegaan naar de oorsprong van Tiny Housing – en die zit hem niet in kabouterhuisjes met een schattige gevel, maar in een totale her-evaluatie van alle waarden. ‘Wat Henry David Thoreau deed, was een poging het wonen opnieuw te definiëren, buiten een kapitalistische context. Nou wil ik die kapitalistische context niet verlaten, in tegendeel, maar ik wil wel de waarden binnen die context opnieuw onder de loep nemen. De kaarten opnieuw schudden. Er is veel mis met het wonen, omdat er veel mis is met het bouwen.’

Ook over het pionieren heeft Zofa nagedacht. Binnen een stedelijke context is dat namelijk ook mogelijk. Op voormalige bedrijventerreinen, reststukjes aan de randen van infrastructuur of groenstroken waar niks gebeurt.

De pionierskant van Tiny Housing zou moeten bestaan uit het ontdekken van de natuur onder het beton van voormalige industrieterreinen, vergeten stukken stad te koloniseren en weer leefbaar te maken. Op die manier komt er meer nadruk te liggen op het ‘werk’ dat gedaan moet worden om te kunnen wonen. Voor tien jaar word je beheerder van een terrein en daarna kun je je huis inpakken en ergens anders weer opbouwen. Dan maak je van wonen weer echt een werkwoord en zet je het wonen zelf in om de bestaande waarden te her-evalueren: vrij letterlijk door vergeten plekken weer op de kaart te zetten.

Ik gun iedereen z’n kabouterhuisje, zeker Barbara Stok, maar we moeten niet pretenderen dat dit nog iets met Henry David Thoreau van doen heeft.

Bram Esser (1976) is filosoof en publicist. Hij noemt zichzelf ‘ontdekkingsreiziger van het alledaagse’.